Het partikelperikel: Een voorstel tot accentverschuiving

Abstract : In het vijfde hoofdstuk van zijn boek over constructionele morfologie spitst Booij (2010) zich toe op partikelwerkwoorden in het Nederlands (bijvoorbeeld aanvallen, opbellen). Dat zijn de bekendste en ongetwijfeld talrijkste vertegenwoordigers van de klasse van zogeheten scheidbaar samengestelde werkwoorden of van wat Booij en Van Santen (1998) samenkoppelingen noemen. Naast partikelwerkwoorden heb je ook combinaties met een substantief (bijv. ademhalen, pianospelen), met een adjectief (bijv. blootstellen, goedkeuren) of met een bijwoord (bijv. neerkomen, voortduren). Partikelwerkwoorden komen, in een of andere gedaante, in alle Germaanse talen voor. Zo heb je in het Engels de ruime klasse van phrasal verbs (bijv. fall down, heat up). Net als deze en andere van hun Germaanse tegenhangers vertonen scheidbaar samengestelde werkwoorden op het eerste gezicht de paradoxale eigenschap dat ze zowel een woord als een woordgroep zijn. Hun woordstatus – of toch hun ‘lexicale status’, wat niet noodzakelijk hetzelfde is, zoals we meteen zullen zien – ontlenen ze aan de vaststelling dat ze vaak een onvoorspelbare betekenis hebben. Booijs favoriete voorbeeld in dit verband is de resem partikelwerkwoor- den met vallen (bijv. aanvallen, bijvallen, meevallen, omvallen, opvallen, tegenvallen, toevallen), waarin we in de verbijsterende waaier aan betekenissen maar heel af en toe de betekenis van vallen zelf kunnen ontwaren. De woordachtige status van scheidbaar samengestelde werkwoorden wordt nog eens onderstreept door de spellingregel die voorschrijft dat we ze, als het even kan, moeten aaneenschrijven (zoals hier dus), ook als ze semantisch in feite vrij doorzichtig zijn. Maar vaak is het zo dat we ze simpelweg niet aaneen kúnnen schrijven (zoals hier), want zoals hun benaming aangeeft, scheiden hun bestanddelen zich gemak- kelijk van elkaar af (zoals hier dus ook), wat dan weer pleit voor hun woordgroepstatus. Voor Booij lijdt het geen twijfel dat heel wat partikelwerkwoorden als geheel moeten worden opgeslagen in het lexicon, ook al omdat van bijvoorbeeld nabootsen of opkalefateren het partikelloze werkwoord niet bestaat. Maar dat betekent voor hem niet dat ze daarom per se woorden zijn, want ook syntactische eenheden kunnen als idiomen worden opgesla- gen. Opvallend misschien in een werk over morfologie, zijn partikelwerkwoorden voor Booij in wezen inderdaad geen morfologische maar syntactische eenheden: “Particle verbs in Germanic languages are phrasal in nature, even though they are lexical units” (p. 189). Dit standpunt is evenwel niet zonder complicaties, en enkele daarvan wil ik in deze bijdrage onder de aandacht brengen. Voor ik dat doe, ga ik in op een sleutelbegrip in Booijs analyse (paragraaf 2). Op basis dan van een bevinding uit recent onderzoek naar de cognitieve status van partikelwerkwoorden in het Engels (paragraaf 3) en van enkele knelpunten in Booijs analyse van Nederlandse partikelwerkwoorden (paragraaf 4), sug- gereer ik een voorstel ter wijziging van zijn analyse, een kwestie in feite van accentver- schuivingen, letterlijk en figuurlijk (paragraaf 5).
Type de document :
Article dans une revue
Nederlandse Taalkunde, Amsterdam University Press, 2012, 17 (2), pp.276-283. 〈10.5117/NEDTAA2012.2.DISC532〉
Liste complète des métadonnées

https://hal.archives-ouvertes.fr/hal-01495733
Contributeur : Bert Cappelle <>
Soumis le : dimanche 26 mars 2017 - 19:43:20
Dernière modification le : mardi 3 juillet 2018 - 11:37:12

Identifiants

Collections

Citation

Bert Cappelle. Het partikelperikel: Een voorstel tot accentverschuiving. Nederlandse Taalkunde, Amsterdam University Press, 2012, 17 (2), pp.276-283. 〈10.5117/NEDTAA2012.2.DISC532〉. 〈hal-01495733〉

Partager

Métriques

Consultations de la notice

76